Er was eens een Kerstman
Er was eens een kerstman, ran plan plan.
Die had een mooi rood jasje an.
De belletjes van zijn sleetje, ring ting ting,
die rinkelden als hij uit rijden ging.
Er was eens een kerstman, ran plan plan.
Die had een mooi rood broekje an.
De kinderen in de straten, rin tin taan,
die huppelden achter de kerstman aan.
Er was eens een kerstman, ran plan plan.
Die had twee mooie laarsjes an.
Zijn witte wollen baardje, rin tint tint,
dat wapperde, tjoep, in de winterwind.


